Als u verder gaat op deze website gaat u akkoord met het gebruik van cookies op uw apparatuur. Lees meer over ons beleid rond cookies en welk soort cookies wij gebruiken door hier te klikken. Accepteer Cookies

Neemt uw fonds onnodige risico’s?

Sinds vorig jaar weten beleggers weer dat risico er wel toe doet.

Pieter Bailleul 29 juli, 2009 | 17:10
In 2008 hadden de meeste beleggers het gevoel alsof ze nergens heen konden met hun geld. Ook beleggingsklassen die voorheen beschouwd werden als “veilige haven”, zoals obligatiefondsen en fysieke grondstoffen, deelden mee in de klappen. Het risico staat terug op de radar van vele beleggers, vaak sterker dan ooit. Een van de belangrijkste aspecten voor wie over de lange termijn wil beleggen, is het in kaart brengen van de verschillende risico’s en bepalen hoeveel risico je bereid bent te nemen.

Spijtig genoeg is er niet één definitie van risico die voor iedereen werkt. Morningstar heeft haar eigen maatstaf ontwikkeld die kijkt naar het risico in vergelijking met soortgelijke ondsen. Maar er zijn ook andere elementen die bij de beoordeling kunnen helpen. Ze zijn niet perfect en horen met de nodige zorg gebruikt te worden, maar dat is alvast beter dan gewoon gokken.


Risicomaatstaven gebaseerd op het verleden
Wie belegt, vindt een arsenaal aan ratio’s en indicatoren die het historische risico van een beleggingsfonds proberen te meten. Daarbij wordt risico vaak beschouwd als volatiliteit, en de meest gebruikelijke wijze om de volatiliteit van een beleggingsfonds (of beleggingsportefeuille) te meten, is door te kijken naar de “standaarddeviatie”. Deze maatstaf geeft weer hoe sterk het rendement tijdens een bepaalde periode afweek van het gemiddelde. Op de Morningstar website wordt dit voor elk fonds berekend op basis van de afgelopen drie jaar. Als de maandelijkse rendementen relatief constant waren ten opzichte van de benchmark of het gemiddelde, dan zal de standaard deviatie laag zijn. Gingen ze alle richtingen uit met sterke uitschieters, dan zal de standaard deviatie aan de hoge kant zijn.

De standaard afwijking is relatief zinloos wanneer deze niet juist gebruikt wordt. Een van de elementen waar beleggers rekening mee moeten houden is dat sommige typen beleggingsfondsen meer risico dragen dan andere. Je kunt met andere woorden de standaarddeviatie van een fonds enkel vergelijken met die van soortgelijke fondsen, bijvoorbeeld fondsen uit dezelfde categorie. Sectorfondsen zullen bijvoorbeeld volatieler zijn dan breed gespreide aandelenfondsen, die op hun beurt weer een hogere volatiliteit hebben dan obligatiefondsen. Ook binnen elk van deze groepen is er nog veel variatie mogelijk.

Ter illustratie, het fonds UBS Flexible Term Bondhad met 4,1% de hoogste standaarddeviatie binnen de Morningstar categorie met korte termijn obligatiefondsen. In de categorie Europese opkomende markten toonde het fonds DWS Osteuropamet 33% (ruim 8 keer meer dan het fonds UBS Flexible Term Bond - in absolute termen) een van de laagste standaarddeviaties binnen zijn categorie over dezelfde driejarige periode tot 30 juni.

Een ander potentieel probleem met de standaarddeviatie is het feit dat hoge winsten op dezelfde wijze worden behandeld als zware verliezen. Daarmee sluit deze maatstaf niet aan bij wat de meeste beleggers ervaren. Zij zijn immers meer bezorgd over de verliezen dan over de winst. Op dat probleem kan Morningstar een antwoord bieden: het Morningstar Risico. De details van de berekening achter deze maatstaf zijn ingewikkeld, maar kort gezegd: het risico van het fonds wordt vergeleken met dat van soortgelijke fondsen in dezelfde Morningstar categorie. Daarbij tellen verliezen in de totale score zwaarder mee dan de winsten. Het Morningstar Risico kan variëren van “Hoog” (de 10% meest risicovolle fondsen in de categorie) tot “Laag” (de 10% minst risicovolle fondsen in de categorie). Zo zal UBS Flexible Term Bond, dat in absolute termen de laagste standaard deviatie heeft, toch een “Hoog” Morningstar risico hebben. Het fonds UBS Flexible Term Bondwas wel minder volatiel dan bijvoorbeeld het bovengenoemde fonds DWS Osteuropa, maar ten opzichte van soortgelijke beleggingsfondsen waren de rendementen een stuk volatieler.

Een derde risicomaatstaf die u terugvindt op de “Rating & Risico” tab voor elk fonds, is de Share Ratio. Deze is in korte tijd erg populair geworden bij beleggingsprofessionals vanwege zijn eenvoud. De belangrijkste inputs voor de Sharpe Ratio zijn de outperformance van het fonds ten opzichte van de risicoloze rente en het risico. De Sharpe Ratio berekent vervolgens hoeveel extra rendement een fondsbeheerder wist te genereren per eenheid risico. Hoe lager het risico, hoe hoger de Sharpe Ratio aangezien het extra rendement behaald door de beheerder hoger ligt voor minder risico.

Toch is het oppassen voor negatieve rendementen zoals we die vorig jaar gezien hebben. De Sharpe Ratio wordt immers zodanig berekend dat hij bij negatieve rendementen hoger zal eindigen wanneer het risico (de volatiliteit van de rendementen) hoger is – precies het omgekeerde van wat we zouden verwachten. Voorzichtigheid is dus geboden.


Meer dan cijfertjes alleen
Zowel de standaarddeviatie, de Sharpe ratio als het Morningstar Risico zijn gebaseerd op de historische resultaten van een beleggingsfonds. Ze zijn uiteraard nuttig, al zijn de meeste beleggers niet geïnteresseerd in hoe een beleggingsfonds gepresteerd heeft, maar willen ze weten hoe het fonds in de toekomst zal presteren. Tenzij we over bijzondere gaven beschikken, is het onmogelijk om met zekerheid te stellen hoe de prestaties van een beleggingsfonds er in de toekomst uit zullen zien. Een belegger kan wel kijken naar de portefeuille van het fonds en zich op die manier een beeld vormen van het risico dat de portefeuille met zich meebrengt.

Hoe u dit kunt doen, kunt u volgende week op onze website lezen.
Over de auteur Pieter Bailleul

Pieter Bailleul  is Marketing Manager for Morningstar Benelux