Als u verder gaat op deze website gaat u akkoord met het gebruik van cookies op uw apparatuur. Lees meer over ons beleid rond cookies en welk soort cookies wij gebruiken door hier te klikken. Accepteer Cookies

Slechte timing kost rendement - cijfers bewijzen het

Timing blijft het grootste struikelblok voor de belegger. Dat gevoel wordt gestaafd door cijfers, want uit onderzoek van Morningstar blijkt dat verkeerde timing de belangrijkste oorzaak is van het verschil tussen het activa-gewogen totaalrendement van een fonds (total return) en het activa-gewogen beleggingsrendement (investor return). Dit gat doet zich met name voor bij fondsen in volatiele typen beleggingen.

Robert van den Oever 24 oktober, 2016 | 17:36

Onder de noemer “Mind the gap” onderzocht Morningstar-analist Matias Möttölä het effect van het gedrag van beleggers op de rendementen van Europese beleggingsfondsen. Deze studie is een Europees vervolg op een eerdere studie van Morningstar uit 2005, die Amerikaanse fondsen onder de loep nam op deze zogeheten ‘behavioral’ aspecten. Voor zijn Europese studie bekeek Möttölä ruim 10.000 in Europa verkrijgbare fondsen over de vijfjaarsperiode die eindigt per 31 juli 2016.

‘Beleggers zijn kortzichtig en risicomijdend en ze zijn te zeer gespitst op relatieve rendementen. Ze raken in paniek als de markten dalen en ze aarzelen om in te stappen als de markten weer gaan stijgen’, begint Möttölä zijn toelichting enigszins prikkelend. Maar zijn bevindingen onderschrijven die stellingname.

Want als we naar de uitkomsten van zijn onderzoek kijken op vermogenscategorie-niveau, dan zien we een verschil tussen het activa-gewogen totaalrendement van een fonds (total return) en het activa-gewogen beleggingsrendement (investor return). Onderstaande grafiek toont deze duidelijke verschillen:

(klik op grafiek voor vergroting)

De categorie Aandelenfondsen heeft het hoogste rendement gemaakt, met 7,46% total return over de vijfjaarsperiode. Allocatiefondsen scoren iets lager met 4,67% total return, gevolgd door Fixed Income (obligaties) met 3,95% en Alternatives met 1,59%. Het gemiddelde van de vier categorieën is 5,41%.

Het gat tussen total return en investor return is het grootst bij Alternatives: 58 basispunten. Dat is hoger dan Equity (aandelen) waar het gat 39 basispunten is. Voor de vier categorieën gemiddeld is het gat 34 basispunten.

De 58 basispunten bij Alternatives betekenen dat beleggers aardig wat rendement mislopen. Het staat gelijk aan 36% gemist rendement, gemiddeld per jaar. Bij Allocatiefondsen is dat al een stuk minder met 8%. Bij Fixed Income is dat 6% en bij Equity 5%.

Stap dieper
Gaan we een stap dieper in de categoriegroepen, dan blijken de volatiele en risicovollere vermogenscategorieën zoals sector aandelenfondsen en geconcentreerde opkomende-markten- aandelenfondsen de grootste gaten te vertonen (respectievelijk 1,05% en 1,38% negatief).

Dit soort fondsen krijgen pas aandacht van beleggers als ze al een tijdje goed presteren, en dus al een deel van het rendement binnen is. Ze worden niet als kernholding van de portefeuille beschouwd, maar als bijzaak. Bekijk hier de rendementsgaten per categoriegroep:

(klik op grafiek voor vergroting)

Factoren achter de verschillen
Hoe komt het nu dat er zo’n gat ontstaat tussen het activa-gewogen total return van een fonds en het daadwerkelijke activa-gewogen beleggingsrendement voor de eindbelegger? Daar liggen meerdere factoren aan ten grondslag.

Omvang
Eén daarvan is simpelweg de omvang van de beleggingsfondsen. Grote fondsen doen het beter dan kleine, komt uit de data naar voren. Daarbij merkt analist Möttölä wel op dat het rendement in het kwintiel met de grootste fondsen juist weer afneemt. Dat kan volgens hem te maken hebben met het effect dat omvang op een bepaald punt tegen een fonds gaat werken, omdat het dan zo groot wordt dat het niet meer effectief in zijn markten kan opereren.

Prijs
Een sterkere factor die het verschil beter verklaart is prijs. Hoe goedkoper een fonds, hoe beter beleggers het gedaan lijken te hebben wat hun timing betreft. Bij Alternatives en Aandelen is het duidelijkst te zien dat beleggers het meest worstelden met  de timing van beleggingsbeslissingen bij de duurste fondsen. Bovendien waren deze duurdere fondsen ook nog eens volatieler dan hun goedkopere concurrenten.

Echter, de categorieën Allocatie en Fixed Income vertonen lang niet hetzelfde duidelijke verloop als de andere twee. Dat maakt het volgens Möttölä lastig om prijs zonder meer aan te wijzen als doorslaggevende verklaring voor het verschil. Bekijk dat in de onderstaande grafiek:

(klik op grafiek voor vergroting)

Actief versus passief
De actief-passief discussie woedt in de beleggingswereld onverminderd door, en dat is niet het thema van deze studie, maar bij het verklaren van het ‘behavioral gap’ speelt de actief-passief tegenstelling wel een rol. De verschillen in rendement tussen beide zijn enorm, over de afgelopen 5 jaar die de studie beslaat, concludeert Möttölä.

Actieve fondsen zagen een gat ontstaan van 37 basispunten tussen hun total return en hun beleggingsrendement. Passieve beleggers daarentegen zagen een positief verschil van 26 basispunten optreden.

Voor aandelenfondsen specifiek was er bij indexfondsen sprake van een positief verschil van 37 basispunten, terwijl actieve fondsen een gat van 48 basispunten kenden. Dat resulteert dus in een verschil van 85 basispunten tussen het hoogste en laagste punt.

Aandelen-indexfondsen blijken minder volatiel te zijn en ze hebben betere rendementen opgeleverd (9%) dan actieve fondsen (6,9%).

(klik op grafiek voor vergroting)

Slechte timing bij alle typen fondsen
Concluderend stelt Möttölä dat slechte timing door beleggers in zowat alle typen fondsen voorkomt, maar niet bij allemaal. Duidelijk is dat beleggers in indexfondsen betere rendementen halen dan beleggers in actieve fondsen. Want daar snoepen hoge kosten een deel van het rendement af.

Wilt u de volledige studie lezen? U vindt hem hier:

Over de auteur

Robert van den Oever  Robert van den Oever is research editor bij Morningstar Benelux